Opinie in Knack 9 februari 2026 - Op 12 februari verzamelen Europese leiders in Alden Biesen, op nauwelijks enkele tientallen kilometers van mijn voordeur. Wat daar besproken wordt, raakt niet alleen Brussel of Europa, maar ook de fabriekshallen, woonwijken en havens in Vlaanderen.
De vraag is niet meer óf we concurrentiekracht verliezen. De vraag is of we eindelijk bereid zijn om te doen wat nodig is om ze niet definitief te verliezen.
Europa heeft de voorbije jaren geen gebrek gehad aan plannen, rapporten en strategieën. We hebben alles netjes geanalyseerd en in actieplannen gegoten. Alleen: terwijl wij plannen maken, sluiten fabrieken hun poorten. Productielijnen verdwijnen. Investeringen worden uitgesteld of verplaatst naar de VS of China. En wat verdwijnt, komt zelden terug.
Dat zien we vandaag pijnlijk scherp in sectoren die de ruggengraat vormen van onze economie. De staalsector is in enkele jaren tijd geëvolueerd van exporteur naar importeur. De chemie, jarenlang een Europese sterkte, verliest in sneltempo productiecapaciteit. Alleen al de voorbije vier jaar verloren we maar liefst 160 productiesites, tientallen miljoenen tonnen capaciteit en meer dan honderdduizend jobs. In Vlaanderen draaien installaties op historisch lage bezettingsgraden. Dat zijn duidelijke alarmsignalen.
Dubbele paradox
Europa presenteert zijn vooruitgang richting klimaatdoelstellingen graag als een succes. Maar een deel van die daling is simpelweg het gevolg van stilgevallen industrie. Dat legt een fundamentele paradox bloot: productie verdwijnt uit Europa, maar consumptie niet. We blijven dezelfde producten gebruiken, alleen komen ze steeds vaker uit regio’s waar de CO₂-uitstoot per ton vele malen hoger ligt. Daarnaast is er de enorme transportkost, zowel economisch als voor het milieu. Op papier scoren we beter, in de praktijk stijgt de uitstoot. Dat ondergraaft onze klimaatambities én hun geloofwaardigheid.
Daarbij komt nog een tweede klimaatparadox. We willen terecht dat Europa zijn gebouwen, infrastructuur en woningen verduurzaamt. Maar als we onze eigen industrie laten verdwijnen, zullen we die transitie steeds meer uitvoeren met ingevoerde materialen zoals isolatie, kunststoffen en bouwproducten. Men zou kunnen zeggen dat we met ons rigide klimaatbeleid de-industrialiseren, maar dan wel meer vervuilende industriële producten zullen invoeren uit China of de VS om onze eigen gebouwen te vergroenen.
De gevolgen van dit stormweer voor de industrie raken de kern van onze economie. Strategisch, omdat staal en chemie de basis vormen voor hele waardeketens, van gezondheidszorg en waterzuivering tot halfgeleiders, defensie en energie. Sociaal, omdat elke sluiting veel verder reikt dan de fabriekspoort, maar onze sociale welvaartsstaat treft. We moeten ervoor zorgen dat de groene transitie geen rode transitie wordt. En economisch, omdat we steeds afhankelijker worden van invoer uit landen wel een strategisch industrieel beleid voeren. Als de chinezen voor kritische materialen de kraan durven dichtdraaien, waarom zouden ze dat dan niet doen voor andere materialen?
Energiefactuur moet omlaag
De oorzaken zijn intussen duidelijk. De industrie kan niet wachten op symbolische mijlpalen als 2030 of 2040. Ze heeft vandaag nood aan verandering. Dat begint bij goedkopere energie. Op middellange termijn ligt de weg vast: investeren in hernieuwbare energie, kernenergie en decarbonisatie om onze afhankelijkheid van ingevoerde fossiele energie te verminderen. Maar intussen moet de energiefactuur omlaag. Langetermijncontracten met overheidsgaranties, een herziening van nettarieven en ruimte voor tijdelijke steun zijn een must. Ook de interne energiemarkt moet eindelijk werken, met veel meer connectie tussen lidstaten.
Daarnaast moet Europa assertiever optreden tegen oneerlijke concurrentie. Handelsbescherming hoeft geen synoniem te zijn voor afsluiting. Maar procedures die jaren aanslepen, helpen niemand. Beschermen zonder af te schermen vergt snelheid, eenvoud en politieke durf. Gerichte tarieven en snelle ingrepen horen daarbij, zeker in een wereld waarin anderen hun industrie actief afschermen.
De stok en de wortel
Ook het regelgevend kader vraagt meer pragmatiek. Bedrijven investeren massaal in vergroening, elektrificatie en innovatie. Weinigen betwisten de noodzaak van de klimaattransitie. Wat ze vragen, is uitvoerbaarheid, redelijkheid en technologieneutraliteit. Wanneer de CO₂-kost zo zwaar doorweegt dat investeringen wegblijven, moet beleid kunnen bijsturen. Dat is geen afzwakking van ambitie, maar een beleid dat verder kijkt dan losse targets, slogans of ideologische fixaties, en ruimte geeft aan bedrijven om het nodige te doen. Niet met de stok, maar met de wortel. Daarnaast moeten we ook pragmatischer omgaan met onze milieuregels. Als we een prioriteit maken van het CO2-reductie, dan moeten we zorgen dat ons milieubeleid dat doel niet hindert wanneer het gaat over schone energie, het energienetwerk of duurzame investeringen door de industrie en de landbouw.
Tot slot moeten we vraag creëren naar koolstofarme producten die hier worden gemaakt. Produceren met minder uitstoot kost geld. Zolang de markt alleen op prijs selecteert, blijven duurzame investeringen lastig om te renderen. Overheden kunnen hier het verschil maken door duurzaamheid en ‘made in EU’ expliciet te verankeren in overheidsopdrachten en steunmaatregelen. Zo ontstaat schaal, voorspelbaarheid en vertrouwen.
Europa heeft plannen genoeg gemaakt
Als rode draad door dit alles moeten vereenvoudiging en een echte verdieping van de interne markt lopen. De eerste stappen richting vereenvoudiging via de omnibusvoorstellen zijn welkom, maar onvoldoende. Op het vlak van de interne markt blijft het werk bijzonder groot. Volgens het IMF komen interne belemmeringen vandaag overeen met een invoerheffing van 45% op goederen en zelfs 110% op diensten, samen goed voor een jaarlijkse kost van ongeveer 1.700 miljard euro. Dat is meer dan de totale handel tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten. De top op 12 februari moet uitmonden in een concrete tijdslijn om de komende twee jaar prioritair door te pakken op de verdieping van de interne markt, met focus op energie, kapitaal en diensten.
De top in Alden Biesen zal meer moeten opleveren dan goede intenties. Ze moet leiden tot concrete maatregelen, met een duidelijke tijdslijn en voelbare impact binnen de komende twaalf maanden. Europa heeft talloze analyses gemaakt. Nu telt alleen de concrete uitvoering. Wie blijft wachten, kijkt straks toe hoe industrie, jobs en strategische autonomie definitief verdwijnen.
Wouter Beke is Europarlementslid (cd&v/EVP) en voorzitter van de Europese Beweging in België