22 maart 2016 zal voor altijd in mijn herinneringen blijven als een van de vreselijkste taferelen waarmee ik ooit geconfronteerd werd. Ik zat in de auto op weg naar Brussel toen ik het nieuws hoorde van een terroristische bomaanslag in de luchthaven van Zaventem. En niet veel later het nieuws dat me ook persoonlijk zou raken: er was een tweede bom ontploft, deze keer in metrostation Maalbeek. Recht onder het hoofdkwartier van mijn partij.

De momenten die daarop volgden, verliepen in een roes. Bijna automatisch denk je eerst aan jezelf: Waren er collega’s betrokken in de aanslag? De meerderheid komt met het openbaar vervoer naar Brussel, er zou toch niemand van hen in die bewuste metro gezeten hebben? Op zo’n moment grijpen angst en machteloosheid je naar de keel. Ik probeerde enkele mensen te bereiken, maar de telefoondiensten werkten niet door een overbelast netwerk. Gelukkig was het internet daar nog. Al heel snel kwam de berichtenmolen op gang, dankzij WhatsApp. Collega’s die één voor één lieten weten dat ze in veiligheid waren – een lijstje dat met elk vinkje meer geruststelde. Maar tegelijk begon ook het besef door te dringen van de gruwel die zich had afgespeeld voor al die andere mensen die het niet gehaald hadden. Toen ik Brussel binnenreed, leek het alsof ik in een oorlogszone terechtgekomen was. Overal sirenes, politie, ambulances, legerdiensten. Straten waren afgezet, mensen liepen door elkaar over de straat. Ons partijgebouw werd ontruimd, en samen met onze personeelsleden werden we geëvacueerd en opgevangen in de gebouwen van het Vlaams parlement.

Terwijl onze Vlaamse collega’s ons thee en troostende woorden brachten, en nadat we onze doodongeruste familie en geliefden hadden kunnen verwittigen, begon iedereen te vertellen wat hij of zij had meegemaakt. Eerst: de knal. De daver die door het gebouw ging op het moment van de aanslag. De alarmen die begonnen af te gaan, en de vragen – staat er iets in brand? Mogen we de lift wel nemen? Moeten we naar buiten, of is het binnen veiliger? Mensen liepen naar beneden en tegelijk kwamen de slachtoffers boven uit de metrogangen. De mensen die uit een verzengde rookwalm de trappen op liepen en aan onze voordeur bonsden, onze medewerkers die hen één voor één naar binnen hielpen en verzorgden. Sommigen haalden zelfs onze cafetaria niet, zij bleven liggen op het voetpad. In afwachting van de hulpdiensten deden onze mensen wat ze konden, maar ook zij moesten zich redden met de middelen en de kennis die ze maar hadden. Mag je een zwaargewonde die om water vraagt helpen, of mag je iemand die geopereerd moet worden dat net niet aanbieden? Wat doe je als een volwassen man voor je staat te schreeuwen van de pijn, zijn haar en nek vol glasscherven? Of als je iemand ziet sterven naast de deur die je elke ochtend opentrekt om naar je werk te gaan? Gelukkig waren de hulpdiensten snel aanwezig, maar voor sommige mensen was het toen al te laat. Sommige van mijn collega’s hebben het vandaag nog steeds moeilijk met het besef dat ze misschien méér hadden kunnen doen, of dat ze het anders hadden moeten aanpakken. We hebben achteraf met z’n allen een EHBO-cursus gevolgd, die bood troost en een milde zekerheid. Maar we weten allemaal dat je op zo’n moment veel meer nodig hebt. Wat we die dag aantroffen in Maalbeek, dat waren oorlogstaferelen.

Later die dag keerde ik samen met de politie terug naar het gebouw. Mijn mensen waren daar halsoverkop vertrokken en hadden veel van hun persoonlijke bezittingen achter moeten laten. Samen met een collega ging ik terug om hun gsm’s, handtassen en meest noodzakelijke voorwerpen op te halen. Ik zal nooit vergeten welke geuren en beelden ik daar aantrof. Stukken kleren, verbanden en ontsmettingsproducten, en bloed. Overal bloed. Ik besefte heel goed dat deze dag een wezenlijk verschil zou maken voor iedereen van ons. In de eerste plaats voor de slachtoffers en hun familie, die moesten leven met het verlies. Voor mijn medewerkers, waarvan sommigen trauma’s opliepen en een hele groep onder hen lange tijd niet meer met de metro durfde te reizen. Maar ook voor de rest van de samenleving. Want hoe reageer je wanneer je in het hart van je gemeenschap wordt getroffen?

Een samenleving die zich openstelt, is ook een samenleving die zich kwetsbaar maakt. Dat is onvermijdelijk. Het is precies omdat we ons niet afschermen van de buitenwereld dat we onze samenleving moeten beschermen voor de dreigingen die dit met zich meebrengt. Onze veiligheidsarchitectuur moet zo opgebouwd zijn dat we onze vrijheden behouden, en tegelijk veiligheid en geborgenheid vinden waar we leven.  Het garanderen van de veiligheid is geen links of rechts thema. Wie de veiligheid in de publieke ruimte niet garandeert, laat die publieke ruimte over aan de wet van de sterkste en laat toe dat de wolven de schapen opeten.

‘We moeten dijken van moed bouwen om de vloedgolf van de angst tegen te houden’, zei Martin Luther King ooit. Angst is een raar beestje. Het kan een samenleving plots doen daveren na een concreet feit – zoals een aanslag of een andere dramatische gebeurtenis. Denk aan de aanslagen van de CCC, de Bende Van Nijvel, de Dutroux-periode of de dioxinecrisis. Of ze kan zachtjesaan binnensluipen, zonder directe aanleiding. Angst is menselijk, ze kan je beschermen tegen gevaar. Maar angst kan ook ontwrichtend werken. Als het medemensen bang maakt voor elkaar, of als het ons doet twijfelen aan wat we tot dan toe voor lief namen. En bovenal maakt het ons gevoel van geborgenheid kapot.

In een samenleving waarin je niet veilig bent, kan je niet leven. En misschien geldt dat ook voor een samenleving waarin je je niet veilig vóélt. Veiligheid is een essentieel onderdeel van geborgenheid en levenskwaliteit, en van ons sociaal weefsel. Onze vrijheden en rechten zijn een rijkdom, maar ook een kwetsbaarheid. Ons recht op privacy zorgt ervoor dat we niet van alles en iedereen te allen tijde gegevens of camerabeelden hebben. Onze vrijheid van religie geeft mensen de kans om hun geloof uit te oefenen, maar kan niet vermijden dat er ook extremistische vormen van religie hun weg vinden. Ons vrij verkeer van personen doorheen Europa zorgt ervoor dat we niet meer in een rijtje voor de grenscontrole staan, maar maakt het ook moeilijker om te controleren wie zich waar verplaatst. Het is zoeken naar een evenwicht tussen het beschermen van onze veiligheid en het beschermen van onze manier van leven. We laten ons niet bedreigen van buitenaf, maar ook niet van binnenuit. Ons kwetsbaar opstellen vergt moed, onze samenleving optimaal beschermen vraagt om daadkracht. Dat is een kwestie van redelijkheid.

Wouter Beke, fragment uit zijn nieuwe boek ‘De Revolutie van de Redelijkheid’ dat verschijnt op 28 maart 2019.

Welkom bij CD&V. Onze websites maken gebruik van cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren. Lees onze Cookies Policy voor meer informatie. Ons cookiebeleid en deze voorkeuren gelden voor alle CD&V-websites. Door op 'Akkoord' te klikken, ga je akkoord met de geselecteerde cookies.