De Vlaamse Regering heeft vandaag een nieuw beslissingskader vastgelegd dat de partnerschappen met de herkomstlanden moet versterken. Vlaanderen zal voor ieder herkomstland een risicoanalyse uitvoeren op basis van zes criteria, om vervolgens finaal te beslissen of er al dan niet met het desbetreffende land zal worden samengewerkt. Minister van Gezin Wouter Beke: ‘Het is onze absolute prioriteit om het risico op mistoestanden en kinderhandel verder uit te sluiten, toekomstige trauma’s te vermijden en tegelijk kinderen uit andere landen, die dat nodig hebben, ook in de toekomst nog kansen op een geschikte thuis in ons land te willen blijven geven.’

Context

Eerder had de Vlaamse Regering al op vraag van minister Beke onder meer beslist om de procedure voor interlandelijke adoptie om te draaien. In de toekomst zal interlandelijke adoptie vertrekken vanuit de vraag van de herkomstlanden om binnen de gemaakte afspraken kinderen een thuis te geven.

Beslissingskader

De Vlaamse Regering is gekomen tot zes elementen voor een beslissingskader. Op basis van deze criteria zullen herkomstlanden gescreend worden. Het resultaat van deze intense screening zal de basis vormen voor een samenwerking in de toekomst.

  1. Ratificatie van het Haags Verdrag

 Het Haags Adoptieverdrag beschermt kinderen en hun familie tegen de risico's van illegale, onrechtmatige, voorbarige en slecht voorbereide adopties naar het buitenland. De ondertekening van het Haags Verdrag is een minimale garantie op een degelijk adoptiebeleid.

We werken in de toekomst alleen nog samen met landen die het Haags Verdrag ratificeerden. Landen die dat niet deden, waarmee we wel samenwerken en waarvan de praktijk ook uitwijst dat ze volgens de principes werken, kunnen nog in aanmerking komen. Nieuwe partnerlanden moeten sowieso het Verdrag geratificeerd hebben.

Louter de ratificatie biedt echter onvoldoende garantie op een kwaliteitsvolle uitwerking van deze basisprincipes in de praktijk. De vier volgende criteria diepen daarom enkele elementen daarvan uit. Het zesde en laatste criterium heeft betrekking op de samenwerking tussen overheden.

  1. Positionering van de adoptiepraktijk binnen het bredere zorg- en opvangsysteem van het land van herkomst in de praktijk.

Vlaanderen zal enkel samenwerken met landen waar we kunnen traceren welke stappen er zijn ondernomen om het kind op te vangen in het herkomstland, en welke afwegingen er in het belang van het kind zijn gemaakt die hebben geleid tot het besluit om over te gaan tot interlandelijke adoptie.

Dit in de praktijk kunnen garanderen, veronderstelt onder meer een actieve rol door de bevoegde autoriteiten en een positionering van de adoptiepraktijk binnen een jeugdzorgsysteem.

Wat we niet willen, is een traject waarbij een tehuis zelf kan beslissen om een bepaald kind op te vangen en vervolgens na verloop van tijd zelf aangeeft dat hij/zij in aanmerking komt voor adoptie, zonder dat er een traject binnen jeugdzorg is gelopen. Traceerbaarheid is ook belangrijk voor geadopteerden die op zoek zijn naar het verhaal achter hun adoptie, en voor kandidaat-ouders die zeker willen zijn dat de belangen van het kind zorgvuldig werden afgewogen.

  1. Consequente toepassing van het subsidiariteitsprincipe

Het Haags Verdrag hecht veel belang aan het subsidiariteitsprincipe. Het eerste niveau van subsidiariteit vereist dat een kind, indien mogelijk, wordt opgevoed door zijn biologische familie of de meer uitgebreide familie. Een actief onderzoek om de uitgebreide familie van het kind te lokaliseren en het kind opnieuw in de eigen familie op te nemen, moet zorgvuldig worden uitgevoerd, voordat een andere oplossing wordt overwogen.

Het tweede niveau vereist dat de autoriteiten actief en gedurende een redelijke termijn zoeken naar een geschikte – permanente – gezinsoplossing in eigen land.

Alvorens interlandelijke adoptie te overwegen, moet het duidelijk zijn dat het subsidiariteitsprincipe in het belang van het kind op deze twee niveaus is toegepast. Dat betekent bijvoorbeeld dat er bij een kind dat niet thuis kan wonen, er voldoende intensief met ouders en familie gewerkt wordt aan terugkeer voor men beslist tot adoptie over te gaan.

  1. Het vermijden van financiële risico’s

Mogelijke risico’s op fraude, vervalsing van gegevens, kinderontvoering of kinderhandel moeten te allen tijde vermeden worden. De mate waarin corruptie een rol speelt in het publieke leven is hier een belangrijke factor. Nog belangrijker en kritischer in dit verband zijn de financiële stromen gekoppeld aan het adoptieproces zelf. Daarom werken we niet langer samen met landen waar de kosten voor de interlandelijke adoptieprocedure onverklaarbaar hoog liggen of niet of slechts in beperkte mate te verklaren zijn. De praktijk waarbij kandidaat-adoptanten bepaalde bedragen betalen aan het tehuis waar het adoptiekind verblijft of aan de persoon die bemiddelt, is niet alleen strijdig met de aanbevelingen van het Permanent Bureau te Den Haag, maar houdt ook belangrijke risico’s in op mistoestanden in het adoptieproces. Geadopteerden en kandidaat-adoptanten moeten gerust kunnen zijn dat er geen financiële belangen gemoeid zijn met de adoptie.

  1. Juridisch kader ter ondersteuning van adoptiebetrokkenen in het recht op informatie over hun afkomst en/of hun zoektocht naar familieleden

Het recht op kennis van afstammingsinformatie is een grondrecht dat zijn basis vindt in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 7 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind. Het gaat echter niet om een absoluut recht. Een afweging tegenover de belangen en rechten van andere betrokkenen (o.a. recht op privacy van de eerste ouders) en het algemeen belang is noodzakelijk. Afstammingsinformatie kent vele vormen en valt niet noodzakelijk samen met het kennen van namen. Bij de screening van de bestaande samenwerkingen gaan we uit van maximale rechtswaarborgen voor het kind om informatie te bekomen over zijn of haar achtergrond en familie.

  1. De bereidheid om rechtstreeks samen te werken van overheid tot overheid

Tot slot zal de Vlaamse overheid nagaan in hoeverre er bij de herkomstlanden bereidheid is om samen te werken van overheid tot overheid. Rechtstreekse samenwerking tussen overheden vormt een extra middel om wanpraktijken te voorkomen en aan te pakken.

In het geval de samenwerking met een bepaald herkomstland volgens het beslissingskader kan verdergezet worden, maar indien het herkomstland geen samenwerking mogelijk ziet op basis van de vernieuwde vraag tot samenwerking vanuit Vlaanderen of er nog knelpunten zouden zijn, dan wordt in dialoog gekeken op welke manier daaraan kan geremedieerd worden.

Verdere aanpak

  • Het Vlaams Centrum Adoptie (VCA) is verantwoordelijk voor de screening van de herkomstlanden op basis van het beslissingskader;
  • Het VCA kan hiervoor adviezen vragen aan verschillende stakeholders (ISS, Unicef, adoptiediensten, geaodopteerden, adoptieouders, …);
  • Het VCA kan tevens beslissen om een werkbezoek in te plannen vooraleer een beslissing tot verderzetting of stopzetting genomen wordt;
  • Conform artikel 20 van het Decreet interlandelijke adoptie waarin de bevoegdheden van het VCA worden beschreven, ligt de beslissing om een samenwerking al dan niet verder te zetten bij het VCA;
  • Het VCA zal over de voortgang van het beslissingsproces regelmatig en tijdig rapporteren aan de Vlaamse regering.

De screening op basis van het beslissingskader zal verschillende gevolgen hebben:

1. Samenwerking met herkomstland is positief

Indien de samenwerking met het herkomstland positief is, loopt de volledige samenwerking door. Er worden wel werkbezoeken gepland om verdere afspraken te maken rond een werking afgestemd op de krijtlijn “Partnerschappen met herkomstlanden versterken”, zoals beslist door de Vlaamse Regering.

2. Samenwerking met herkomstland wordt onmiddellijk stopgezet

Na screening van de huidige samenwerkingen zal met een aantal herkomstlanden geen samenwerking meer mogelijk zijn. De dossiers van de kandidaat-adoptanten die al een lopende kindtoewijzing hebben, worden verder afgewerkt volgens het huidige systeem. De andere kandidaat-adoptanten kunnen zich heroriënteren naar de herkomstlanden waar Vlaanderen nog wel verder mee samenwerkt. Transparante communicatie naar de betrokkenen is dan essentieel.

 3. Samenwerking met herkomstland vraagt meer verduidelijking via werkbezoek

 Na screening van het herkomstland wordt een werkbezoek gepland om meer duidelijkheid te creëren rond toekomstige samenwerking. De samenwerking loopt onverminderd door tot na verduidelijking via het werkbezoek en definitieve beslissing door VCA.

De screening van de landen zal land per land gebeuren. Het is moeilijk om hierop – gelet op het feit dat in een aantal gevallen wellicht een werkbezoek zal worden aanbevolen en de impact van de Covid-pandemie – een concrete timing te kleven. In dat opzicht is het belangrijk nogmaals te benadrukken dat – conform de afspraken in de Vlaamse regering van 17 september – tot een beslissing van het VCA de lopende adoptietrajecten onverminderd verdergezet kunnen worden.

Bevoegd minister Beke: ‘De verhalen van de geadopteerden die ik de afgelopen maanden mocht aanhoren, hebben me erg aangegrepen. Vroeger werd er vaak pas ingegrepen als er getuigenissen waren van mogelijke wantoestanden. Vanaf nu werken we proactief: door deze screening te doen en onze samenwerking met herkomstlanden in solide samenwerkingsafspraken te gieten. Zo willen we een aanzienlijke inspanning leveren om absoluut te vermijden dat er sprake is van kinderhandel of onrechtmatige adoptie. We bieden ook extra zekerheden aan de kandidaat-adoptanten: niemand wil een kind adopteren waarvoor niet alle mogelijkheden zijn uitgeput in het land van herkomst.’