Interview Het Nieuwsblad

12-09-2015

Het is een ontspannen en goedgeluimde Wouter Beke (41) die het Hasseltse hotel, waar zijn partij fractiedagen houdt, in- en uitloopt. In dat hotel ­bereiden de CD&V-parlementsleden en -ministers zich drie dagen lang voor op het nieuwe politieke jaar. Met onder ­andere - hoe kan het ook anders - een uitgebreid debat over de vluchtelingencrisis.

Een stevige discussie achter de rug?

’Het was een levendig debat. Maar wel vanuit eenzelfde grondhouding, namelijk een realistische kijk op deze vluchtelingencrisis. CD&V’ers zijn geen ­utopische multiculturalisten die ­juichen omdat er zo veel vluchtelingen ons land binnenkomen, maar ook geen neoliberalen die de gemeenschap zien als louter een optelsom van individuen. Wij zijn realisten. Veel van onze mensen zijn actief in het lokale verenigings­leven en de lokale politiek. Zij zoeken, los van alle grote ideologieën, in hun ­gemeenschap naar manieren om deze uitdaging aan te gaan. Ikzelf doe dat als burgemeester van Leopoldsburg ook, nu er bij ons vijfhonderd noodopvangplaatsen komen. Deze crisis is voor burgemeesters sowieso al een evenwichts­oefening. Het wordt hen nu nog moeilijker gemaakt door de boodschappen die vanuit de nationale politiek worden gegeven.’

U doelt op de harde standpunten van N-VA?

’Aan de ene kant krijg je ideeën zoals het totaal misplaatste voorstel van push-backs, om mensen met hun bootjes terug te sturen(deze week gelanceerd door de Europese fractie van N-VA, nvdr.). Daarmee zeg je eigenlijk: deze mensen hadden hier niet mogen zijn, stuur ze terug. Aan de andere kant vraagt Theo Francken (N-VA) als staatssecretaris van Asiel en Migratie aan alle burgemeesters om extra ­capaciteit te voorzien. Zo’n dubbel ­signaal ontneemt elk draagvlak bij de lokale besturen om in te gaan op de vraag naar opvangplaatsen.’

Bent u het eens met N-VA-kopstuk Jan Peumans, die zijn partij­genoten oproept om daarover te zwijgen?

’Ik ben het niet altijd eens met Jan, maar nu wel. Je moet niet doen alsof ­internationale conventies en afspraken niet bestaan. Het heeft geen zin om iets te willen waarvan je op voorhand weet dat het onmogelijk is. Tenzij je daarmee de publieke opinie wil beïnvloeden - om het beleefd uit te drukken. Dat komt als een boemerang terug in je ­gezicht én het ontneemt elk draagvlak bij mensen aan wie gevraagd wordt om een engagement te nemen.’

Hebt u dat als reactie gekregen van de burgemeesters in uw partij?

’Er zijn verschillende van onze burgemeesters die een asielcentrum in de ­gemeente hebben. Dat is geen cadeau. Maar ze willen het wel op een mense­lijke manier aanpakken. Daarvoor heb je maatschappelijk draagvlak nodig. Dat lukt niet als je de publieke opinie vergiftigt met een discours waarvan je weet dat het geen zin heeft.’

Daarmee geeft u de definitie van het woord ‘populisme’.

’Dat zegt u.’

U bent doctor in de politieke ­wetenschappen. U kent de ­definitie.

(zwijgt)

Het zit u duidelijk wel hoog.

’De vluchtelingenproblematiek is een thema dat heel dicht bij de mensen ligt, en ik kan er niet tegen dat dit gebruikt wordt om te polariseren. Ik vind dat ­politici verbindend moeten werken. Door concrete beslissingen te nemen, maar ook door dat uit te stralen. We ­weten ook hoe de publieke opinie soms reageert. Je kunt enerzijds niet vragen dat burgemeesters opvang voorzien en anderzijds polariseren. Dat blijft niet duren.’

Of anders wat? Wat gaat u doen als dat wel blijft duren?

’Wij blijven onze eigen rol spelen en met de partij een eigen discours ­houden. En dat is geen geitenwollen­sokkenverhaal. We hebben als politiek lessen getrokken uit de fouten van de jaren zestig en zeventig. We hebben toen mensen uit Turkije, Marokko, ­Polen, Griekenland, ... naar hier ­gehaald. Daarna hebben we hen volledig aan de kant geschoven. We hebben een groep naast de samenleving gecreëerd. Er was geen oog voor taal en integratie.’

’Dat is ook de analyse die Paula D’Hondt als koninklijk commissaris voor het Migrantenbeleid in de jaren negentig heeft gemaakt. Op basis daarvan hebben we vanaf 2004 een inburgeringsbeleid opgezet, om die mensen niet meer links van de samenleving te zetten. Integratie moetwintegratie worden.’

Wintegratie?

’Dat is integratie waar zowel de ­betrokkene als de samenleving beter van worden. Ik hoorde deze week op de radio een goed voorbeeld. Een jongetje dat hier nog maar tien maanden is en al beter Nederlands spreekt dan sommige mensen die hier heel hun leven zijn. Dat is winst voor die jongen, maar ook voor de samenleving. Maak van integratie eenwintegratie, ook voor de ­Syrische oorlogsvluchtelingen. We moeten voor inburgering gaan. Daarvoor hebben we de voorbije jaren al heel wat op de ­sporen gezet. Als politici moeten we dat aan de mensen duidelijk maken. ­Minister-president Geert Bourgeois is zelf nog minister van Inburgering ­geweest.’

Na de regeringsvorming vorig jaar had CD&V de uitgesproken ambitie om het ‘menselijke gelaat’ van deze regeringen te zijn. Het wordt jullie nu wel moeilijk gemaakt.

’Godzijdank zitten er mensen in de ­regeringen die het regeerakkoord ­uitvoeren, niet de partijvoorzitters.’

’Ik wil iets vertellen. Ik was begin ­augustus met mijn gezin op vakantie in Frankrijk. We hebben daar ­Oradour­sur-Glane bezocht. Een dorpje waarvan de ruïnes volledig bewaard zijn ­gebleven na een aanval van de nazi’s op 10 juni 1944. Op die dag zijn 642 mensen vermoord. De mannen werden op het marktplein doodgeschoten. Daarna werden de vrouwen en kinderen in een kerk gezet en met granaten en mitrailleurs gedood. Nadien heeft men heel het dorp in brand gestoken. Amper zes mensen hebben dat overleefd. Net toen ik daar rondliep, belde Theo Francken mij op om te vragen of er op het militaire domein van ­Leopoldsburg plaats was voor extra opvang. Want er waren wereldwijd zestig miljoen mensen op de vlucht, en we moesten die gigantischevluchtelingenstroom proberen te beheersen.’

’Vandaag ligt Oradour-sur-Glane in ­Syrië. De mensen die vandaag hun ­leven op het spel zetten om het land te ontvluchten, zijn oorlogsvluchtelingen, geen economische migranten. Wij moeten voor hen zorgen, net zoals ­anderen zeventig jaar geleden tijdens de Tweede Wereldoorlog voor onze grootvaders en betovergrootvaders hebben gezorgd.’

’Het is contradictorisch dat je aan de ene kant dat soort telefoons krijgt. De plek is natuurlijk toevallig, maar voor mij is het toch heel tekenend. Aan de andere kant hoor je een partijvoorzitter zeggen dat hij zich niet aangesproken voelt door de foto van het jongetje dat aan de Turkse kust is aangespoeld (Bart De Wever zei dat vorige week in een ­interview, nvdr.). Ik denk dat heel veel Vlamingen zich daar net wel door aangesproken voelen.’

Ligt de uitspraak van Theo ­Francken over het ‘te knusse ­tentenkampje’ in dezelfde lijn? Hij vroeg zich af of dat de reden was waarom de nachtopvang zo weinig succes had.

’Ik ga niet over elke uitspraak mijn ­gedacht zeggen. Maar zoiets brengt geen enkel antwoord of perspectief dichterbij. Politiek moet over inhoud gaan, niet over de perceptie van de dag. Als je op een schip zit en je gaat alleen maar in de richting waar de wind waait, dan zal je nooit de haven bereiken die je wilt ­bereiken.’