De Wonderjaren; Wouter Beke (Humo, 02/10/2012)

02-10-2012

 

CD&V-voorzitter Wouter Beke is zich ervan bewust dat hij een ietwat saai en braaf imago heeft: dat had hij als kind ook al. Maar toch was hij geen slappe dweil die altijd braaf binnen de lijntjes kleurde: 'Dan sta je ‘s nachts niet uit volle borst de Vlaamse Leeuw onder het slaapkamerraam van José Happart te zingen, of wel?' De Wonderjaren!

<HUMO> Wat zijn uw vroegste jeugdherinneringen?

<Wouter Beke> «Ik weet nog vrij veel van mijn kleutertijd — mijn vrouw is daar altijd verbaasd over. Ik weet nog goed hoe ik als vierjarige samen met mijn vader en mijn grootouders op bezoek was bij mijn moeder, die was bevallen van mijn zus. Het was 12 oktober 1978, de dag nadat Leo Tindemans in de Kamer het ontslag van zijn regering had aangekondigd met de legendarische woorden: 'Voor mij is de grondwet geen vodje papier. Ik ga van deze tribune weg, ik ga naar de koning en ik bied het ontslag van de regering aan.' Door onenigheid over het Egmontpact was de regering gevallen, en daar werd in het hele land fel over gediscussieerd. Ook door mijn ouders en grootouders in het moederhuis. Als kleine jongen dacht ik dat ze aan het ruziën waren, daar aan het kraambed.

.... »Er is in onze familie altijd veel interesse geweest voor politiek. Mijn grootvader van vaderskant was schepen voor de CVP in Wielsbeke, en de vader van mijn moeder had sympathie voor de Volksunie in Lommel. Dat zorgde vaak voor geanimeerde discussies aan het kraambed..»

<HUMO> Uw vader komt uit West-Vlaanderen, maar hij vestigde zich als huisdokter in Leopoldsburg. Hoe is hij in de Kempen verzeild geraakt?

<Beke> «Na zijn studies in Leuven, waar hij mijn moeder had leren kennen, is hij haar naar haar geboortestreek gevolgd. Er was op dat moment een tekort aan huisartsen in Leopoldsburg, en hij kreeg ook de kans om zich aan het plaatselijke medisch centrum te verbinden. Dat was in 1973. Mijn moeder heeft tot dan als vroedvrouw gewerkt, maar uiteindelijk is ze daarmee gestopt om mijn vader te kunnen helpen: ze deed de administratie, regelde de afspraken, bracht bloedstalen naar het lab, enzovoort. Later hebben ze ook een centrum voor personen met een handicap opgericht in Leopoldsburg, waar vooral mijn moeder de drijvende kracht was.

.... »Mijn vader had een bloeiende dokterspraktijk: hij ontving patiënten thuis, hij ging veel op huisbezoek en hij was verbonden aan verschillende ziekenhuizen. Als we ’s morgens opstonden, was hij meestal al weg, en als we ’s avonds gingen slapen, was hij vaak nog aan het werk. Maar hij probeerde wel elke dag samen met ons te eten.

.... »Mijn jongere broer en zus en ikzelf hielpen al snel mee. Al van jongs af namen we de telefoon op om aanvragen voor huisbezoeken te noteren, we deden de deur open als er patiënten aanbelden en we leidden ze naar de wachtkamer.

.... »Mijn vader is in de zomer met pensioen gegaan, maar hij werkt nog altijd even hard als vroeger. Wat dat betreft, is de appel niet ver van de boom gevallen: ik ben ook veel uithuizig en ik zie mijn gezin ook weinig.»

<HUMO> Zat die werklust al vroeg in u?

<Beke> «Ik ben nooit een luierik geweest. Ik denk niet dat ik als kind vaak tot ’s middags in mijn bed heb gelegen. Ik was ook niet het soort jongen dat in zijn eentje uren op zijn kamer naar platen zat te luisteren. Mijn slaapkamer was een plek om te slapen, niet om je uit de wereld terug te trekken.

.... »Ik was al vroeg erg ondernemend. Begin jaren ’80 kreeg Leopoldsburg een cultureel centrum — de Vlaamse regering gaf toen subsidies om in nagenoeg elke Vlaamse gemeente zo'n centrum te openen. Maar in de praktijk gebeurde er in veel van die centra gewoon níéts. Ook niet in Leopoldsburg. Ik ben toen ik zes was samen met een paar vriendjes naar de directeur van dat centrum gestapt, en we hebben gevraagd of we een theatershow in elkaar mochten steken. Dat mocht, en onze school steunde ons zelfs: alles samen deden er twintig jongens mee aan de show, en we mochten van de leerkracht elke vrijdagmiddag repeteren in plaats van de les godsdienst bijwonen.»

<HUMO> Daarna had u de smaak duidelijk te pakken.

<Beke> «Ja, ik ben in het amateurtoneel actief geweest tot ik een stuk in de twintig was. Ik speelde o.a. in de toneelgroep van Leo Bormans, mijn leraar Nederlands die ook meer dan twintig jaar hoofdredacteur van het onderwijsblad Klasse is geweest. Ik vond het leuk om samen met vrienden op een podium te staan en in de huid van iemand anders te kruipen. We brachten ook veel straattheater, waar we dan mee door het hele land trokken. Ik heb in veel stukken gespeeld, onder andere ook in 'Figaro’s bruiloft', maar het stuk dat het meest indruk op mij als tiener heeft gemaakt, is ‘Komedie der ijdelheid’ van Elias Canetti, waarin ik een hoofdrol vertolkte. We voerden het eind 1991 op, precies op het moment dat het Vlaams Belang in Vlaanderen doorbrak, terwijl het uitdrukkelijk verwijst naar een totalitaire samenleving, waarin de wil van de leider aan de burgers wordt opgedrongen. Die leider verbiedt het bezit van foto’s en spiegels, omdat die tot ijdelheid zouden leiden, en dat is in zijn ogen een doodzonde. De mensen zijn eerst verbaasd, maar het duurt niet lang of ze aanvaarden zonder nadenken de nieuwe regels.

.... »'Komedie der ijdelheid' was een mijlpaal in mijn leven, omdat het mijn kijk op de samenleving heeft bepaald. Sindsdien weet ik dat mensen nood hebben aan een gemeenschap, omdat die kansen biedt aan individuen, maar die gemeenschap mag individuen niet domineren. Dat is de basis van het personalisme, een stroming in de filosofie waarop mijn politieke overtuiging is gebaseerd.»

<HUMO> En kunt u uw acteertalent ook in de politiek gebruiken?

<Beke> «Ik kan mijn emoties goed verbergen als dat nodig is: je merkt het niet snel als ik bang, kwaad, ongeduldig of zenuwachtig ben. Dat komt soms goed van pas tijdens onderhandelingen.»

<HUMO> Leopoldsburg is vooral bekend omdat er een groot deel van ons leger gestationeerd is. Hoe was het om in de buurt van ’t Kamp op te groeien?

<Beke> «Leopoldsburg is door die legerbasis altijd een beetje de Far West van België geweest: een plek met weinig sociale controle — helemaal geen traditionele Kempische gemeente. In Leopoldsburg kon en mocht veel, en er gebeurde dus veel. Er heerste een stadsmentaliteit die mensen aanzette tot initiatief en vernieuwing. Zoals de Duitsers in de Middeleeuwen zegden: 'Stadtluft macht frei.' Dat zie je aan al die creatieve geesten die er zijn opgegroeid: Marcel Vanthilt, Walter Grootaers, J.M.H. Berckmans, Dominique Deruddere... Vooral jeugdhuis Scoop was legendarisch. Daar heeft Deruddere samen met Vanthilt zijn eerste filmpjes gemaakt. Toen ik twaalf was, heb ik auditie gedaan om mee te spelen in ‘Crazy Love’, de eerste grote film van Deruddere, maar Geert Hunaerts is met de rol gaan lopen. (lacht)»

 Vernederd

<HUMO> Was het gezin Beke een warm nest?

<Beke> «We hingen stevig aan elkaar, en dat is vandaag nog altijd zo. Dat is vrij logisch, want mijn ouders kwamen zelf uit hechte gezinnen. Op onze familiefeesten heerst altijd veel ambiance. Dat zijn trouwens meestal grote feesten, want mijn vader komt uit een gezin met elf kinderen, en bij mijn moeder waren ze thuis met tien.»

<HUMO> Hoe schoot u op met uw broer en zus?

<Beke> «Omdat ik de oudste was, kreeg ik al vlug de verantwoordelijkheid over mijn broer en zus als mijn ouders niet thuis waren, en dat zorgde weleens voor conflicten. We hebben alle drie totaal verschillende karakters, maar over het algemeen schoten we goed op met elkaar, zeker naarmate we ouder werden.

.... »Mijn ouders vonden het belangrijk dat we rekening hielden met elkaar, dat we elkaar hielpen als dat nodig was, en dat we deelden wat we hadden. In ons gezin was er geen plaats voor egoïsme: dat hebben ze er echt ingehamerd. Ze lieten ons vrij om onze eigen weg te zoeken, maar altijd met respect voor anderen, helemaal in de geest van mei '68, toen ze zelf in Leuven studeerden. Ze waren geen autoritaire opvoeders, integendeel: ze geloofden in onderhandelen, niet in bevelen en straffen. Wij mochten onze mening zeggen, en er kon over alles worden gediscussieerd. Mensen van mijn leeftijd van wie de ouders vijf of tien jaar ouder waren, zijn doorgaans veel strenger opgevoed.»

<HUMO> Waren uw ouders katholiek?

<Beke> «Ze zijn allebei katholiek opgevoed en ze hebben die waarden doorgegeven, maar op een vrije manier. Ik heb nooit de dwang van een katholieke opvoeding gekend, dus heb ik me er ook nooit tegen moeten afzetten. We gingen geregeld naar de mis, maar niet wekelijks. Ik heb als tiener wel vaak getwijfeld aan het geloof. Dat doe ik nog steeds, eigenlijk.»

<HUMO> Welke herinneringen houdt u over aan uw schooltijd?

<Beke> «Ik heb op een nonnenschool gezeten, bij de zusters van Onze-Lieve-Vrouw Visitatie in Leopoldsburg. Dat was een vrij strenge katholieke school, maar toch kregen we van de directie ook veel vrijheid. In het derde middelbaar runden we samen met een paar vrienden een schoolradio. Tijdens de speeltijd zonden we, via de luidsprekers die in alle klassen en op de speelplaats hingen, elke dag een kort programma uit met muziek, informatie over de school, mededelingen van de directie en wat actualiteit. Elke woensdagmiddag kwamen we samen om de volgende week voor te bereiden. We maakten ook een schoolblad, en we nodigden af en toe organisaties als Unicef en Amnesty International uit om voordrachten te komen geven.

.... »Soms kom ik nog leraars van toen tegen, en die zeggen altijd dat het ze niet verbaast dat ik in de politiek ben gegaan.»

<HUMO> Vond uw vader het niet jammer dat u hem niet bent opgevolgd?

<Beke> «Nee, mijn ouders vonden dat hun kinderen zelf hun keuzes in het leven moesten maken. In mijn geval was het al snel duidelijk dat ik Politieke en Sociale Wetenschappen of Rechten zou studeren. Architectuur is ook even een optie geweest, maar omdat ik niet goed genoeg in wiskunde was, heb ik dat voornemen maar laten varen.»

<HUMO> Was u voor de rest wel een goede student?

<Beke> «Ik had zeker niet de beste punten van de klas, maar daar streefde ik ook niet naar. Ik heb me nooit gefrustreerd gevoeld omdat ik maar een zeven op tien had en geen acht: ik deed net genoeg om me geen zorgen te hoeven maken. Pas toen ik in Leuven aan de universiteit zat, en dan nog pas in de licenties, ben ik doelbewust voor een grote onderscheiding gegaan.»

<HUMO> Bent u ooit gepest op school?

<Beke> «Nee, ik kon goed van me afbijten als dat nodig was... »Ik heb me wel één keer erg vernederd gevoeld, op mijn allereerste schooldag in de lagere school. We moesten één voor één onze naam op het bord schrijven, maar ik kon dat toen nog niet, en de andere kinderen blijkbaar wel. Ik mocht van de leraar pas gaan zitten als ik mijn naam goed had geschreven, en dat heeft toch even geduurd, tot groot jolijt van de klas.»

<HUMO> Was u een kneusje?

<Beke> «Dat niet. Ik was weliswaar een ernstige jongen en ik had een groot verantwoordelijkheidsgevoel, maar ik was altijd te vinden voor avontuur. Toen ik in 1985 in het zesde leerjaar zat, heb ik een eigen politieke partij opgericht naar aanleiding van de federale verkiezingen. Ik had een partijprogramma — ik pleitte onder andere voor minder huiswerk op school en meer geschiedenis in plaats van turnen – en ook affiches, waarop ikzelf op de eerste plaats op de Senaatslijst stond. U ziet: ik was toen al behoorlijk ambitieus (lacht). Die affiches had ik de avond vóór de verkiezingen op de speelplaats van mijn school geplakt, waar de gemeente een kiesbureau had ingericht. De volgende maandag werd ik bij de directeur geroepen. Er lag een affiche van mij op zijn bureau en hij zei: 'Je weet toch dat het strafbaar is om vlak bij een kiesbureau campagne te voeren en affiches op te hangen?' Ik antwoordde: 'Nee, dat wist ik niet.' Hij vroeg: 'Ben je verkozen? Nee? Zorg er dan maar voor dat je de volgende keer een beter resultaat haalt.' Dat heb ik ook gedaan, zij het pas twintig jaar later (lacht).»

 Zingen bij Happart

<HUMO> Was u een opstandige puber?

<Beke> «Ik was geen rebel, maar als ik iets onrechtvaardig vond, liet ik dat wel merken. Ik heb het ook altijd moeilijk gehad met de vanzelfsprekendheid van gezag. Als mensen op een oneerlijke of autoritaire manier met mij omgaan, kom ik in opstand. Toen ik als zesjarige muziekles volgde, gooide de leraar, een zeer autoritair man, op een gegeven moment mijn schrift naar mijn hoofd. Ik ben toen opgestapt en te voet naar huis gegaan. Daar zei ik tegen mijn moeder dat ik nooit meer naar die muziekschool terug wou. Die leraar is ’s avonds nog bij ons thuis gekomen met een hele uitleg, in de hoop dat mijn ouders hem gelijk zouden geven, maar dat deden ze dus niet. Zo heb ik nooit muziek leren spelen, wat ik wel jammer vind.

.... »Mijn afkeer van autoriteit en machtsmisbruik werd nog groter naarmate ik ouder werd. Als tiener ging ik met de KSA van Lommel op kamp in Voeren, en zoals elk jaar hadden we onze tenten opgeslagen in de wei van een boer. We hadden ook twee vlaggen aan onze vlaggenmast gehangen: de vlag van de KSA en de Vlaamse Leeuw. We waren daar nog maar een dag toen de rijkswacht ons terrein opreed met de boodschap dat we die Vlaamse Leeuw naar beneden moesten halen, omdat de burgemeester van Voeren, José Happart, dat een provocatie vond. We hebben toen hevig gediscussieerd of we dat bevel zouden opvolgen of niet. Ik en nog een paar andere jongens vonden dat we het volste recht hadden om daar een Vlaamse Leeuw te laten wapperen, omdat Voeren Vlaams grondgebied is. Maar uiteindelijk liet onze leiding de vlag toch naar beneden halen: ze waren bang dat de zaak anders zou escaleren. Twee dagen later, tijdens een nachtelijke dropping, zijn we met een paar jongens onder het slaapkamerraam van Happart uit volle borst de Vlaamse Leeuw gaan zingen, tot alle lichten in zijn huis aangingen. Toen hebben we het wijselijk op een lopen gezet (lacht).»

<HUMO> Was het u om het baldadige te doen, of was u toen echt zo Vlaamsgezind?

<Beke> «Waarschijnlijk beide. Maar de Vlaamse zaak lag me zeker na aan het hart. Ik kom uit een erg Vlaamsgezinde familie — ik ging al vroeg mee naar de IJzerbedevaart, en dat ben ik tot een paar jaar geleden trouw blijven doen. Ik was wel de enige in mijn vriendenkring die zo Vlaamsgezind was, dus daar kreeg ik af en toe schampere opmerkingen over, en er werd ook pittig over gediscussieerd. Mijn vrienden begrepen niet waarom ik zo strijdlustig was als het over Vlaanderen ging.»

<HUMO> Plakte er ook een sticker met ‘Ik ben Vlaming en daar ben ik fier op’ op uw fiets?

<Beke> «Nee, maar ik weet wel dat ik op 11 juli, de Vlaamse feestdag, de Vlaamse Leeuw uit mijn slaapkamerraam hing.»

<HUMO> Waartegen kwam u nog meer in opstand?

<Beke> «Toen ik in het derde middelbaar zat, kregen we op een dag te horen dat er een nieuwe schooldirecteur zou komen —zuster directrice ging met pensioen. Toevallig kwamen we te weten dat de inrichtende macht iemand zou voordragen van wie ik samen met een paar vrienden vond dat hij niet aan het juiste profiel beantwoordde, omdat hij in het verleden met het gerecht in aanraking was gekomen. Wij gingen toen bij onze klastitularis en een paar andere leraars klagen, maar die waren niet onder de indruk. Vervolgens hebben we een protestactie opgezet, en toen heeft onze titularis me apart genomen. Ze zei dat ze wel sympathie had voor onze actie, maar dat mijn actie niets zou veranderen aan de zaak en dat ze niet anders kon dan ons waarschuwen dat ik van school zou worden gegooid als ik niet ophield. Dat was het me niet waard, dus heb ik me maar koest gehouden.

.... »Tien jaar later, toen ik als assistent aan de KU Leuven werkte, heb ik ongeveer hetzelfde meegemaakt. In 2002 werd prins Filip voorgedragen voor een eredoctoraat. Wij assistenten vonden dat je, om een eredoctoraat te krijgen, toch wel enige academische verdienste moest hebben, en de troonopvolger zijn was géén verdienste. Daarom zijn we actie beginnen te voeren. Het resultaat was dat ik als vertegenwoordiger van de assistenten bij de rector werd geroepen, die me duidelijk maakte dat er voor mij geen plaats meer was aan de universiteit als ik niet onmiddellijk ophield met mijn protest. Op de valreep wijzigde de academische raad wel de argumentatie voor het verlenen van het eredoctoraat: het ging plots meer over het instituut van de monarchie dan over de persoonlijke verdiensten van de prins. We hadden zo het gevoel dat we onze slag toch enigszins hadden thuisgehaald.»

 Liefjes hier en daar

<HUMO> Ik vraag het toch maar even: bent u ooit met drugs in aanraking gekomen?

<Beke> «ik heb wel eens gezien dat er een jongen van mijn school in paniek door hun ouders bij mijn vader gebracht werd omdat hij een overdosis cocaïne of amfetamine binnen had. Ik heb zo ook iemand weten sterven door de drugs. Ik had dus geen wijsvingertje van mijn ouders nodig om te weten dat ik daar maar beter afbleef.»

<HUMO> Ging u veel uit?

<Beke> «Ik was geen nachtbraker. Ik ging wel af en toe met vrienden een pint pakken, maar zelden tot een gat in de nacht.»

<HUMO> Wanneer begonnen uw hormonen u parten te spelen?

<Beke> «Vrij vroeg, eigenlijk. Ik zat in een gemengde school, dus meisjes waren geen vreemde wezens. Ik was ook niet verlegen of onzeker, in tegenstelling tot sommige andere jongens. Ik had mijn eerste vakantieliefjes al toen ik dertien, veertien jaar was, en ook in Leopoldsburg had ik af en toe een liefje. Veel stelde dat niet voor, en lang bleef het meestal niet duren. Ik was wel vrij kieskeurig: ik wou vooral ook met een meisje kunnen praten —over de grote levensvragen en andere dingen die me bezighielden. Het eerste meisje met wie ik een serieuze relatie had, heb ik aan de universiteit leren kennen, en met haar ben ik enkele jaren later getrouwd.»

<HUMO> Hebben uw ouders u seksueel voorgelicht?

<Beke> «Nee, maar dat was ook niet nodig. Mijn vader had een hele bibliotheek vol boeken over anatomie. Het menselijk lichaam had geen enkel geheim voor mij. Bovendien had mijn grootvader een boerderij, en daar zag ik al op jonge leeftijd hoe veulens en kalfjes werden gemaakt en geboren.»

<HUMO> Waar merkt u vandaag nog aan dat u de zoon van een dokter bent?

<Beke> «Mijn vader heeft ooit tegen me gezegd: 'Als dokter moet je altijd luisteren, soms kun je de pijn bestrijden, en heel af en toe kun je iemand genezen.' Ik ondervind hoe langer hoe meer dat dat ook in de politiek zo is: als ik spreekuur houd, moet ik vooral luisteren naar de mensen die met een probleem bij me aankloppen, soms kan ik advies te geven, en heel af en toe kan ik zeggen: 'Dit kan ik voor u oplossen.'»

<HUMO> Zijn er toch niet een paar dingen die u uw ouders zou kunnen verwijten, opvoedkundig gezien?

<Beke> «Soms denk ik dat ze me beter wat meer hadden gestuurd in plaats van me zoveel vrijheid te geven. Ik vind het vooral jammer dat ik geen muziek kan spelen. Mijn vrouw speelt goed piano, en ik kan niet eens 'Broeder Jacob' tokkelen (lacht). Als ze me destijds hadden overtuigd om toch vol te houden, had ik vandaag waarschijnlijk ook deftig piano kunnen spelen.

.... »Ik vind het ook jammer dat ze me nooit hebben gesuggereerd om een jaar in het buitenland te gaan studeren. Mijn vrouw is als Erasmusstudent naar Athene getrokken, en dat had ik achteraf gezien ook graag gedaan. Het moet een unieke ervaring zijn om op die leeftijd een jaar lang geprikkeld te worden door een andere taal, een andere cultuur, een andere maatschappelijke context. Ik ben te snel in het echte leven gedoken: doctoreren, trouwen, kindjes krijgen, carrière maken.»

 Als vader roept

<HUMO> U hebt drie kinderen. Probeert u ze op te voeden zoals uw ouders u hebben opgevoed?

<Beke> «In grote lijnen wel, ja. Ze zijn natuurlijk nog jong – acht, zes en één jaar – maar we geven ze veel vrijheid en laten ze zelf de grenzen van die vrijheid aftasten. Dat betekent uiteraard niet dat we ze zomaar met hun hoofd tegen de muur laten lopen. Maar ik zal ze wel stimuleren om muziek te leren én na het middelbaar een jaartje in het buitenland te gaan studeren (lacht).»

<HUMO> Bent u streng?

<Beke> «Nee, maar ik stel wel vast dat mijn kinderen, op de zeldzame momenten dat ik streng móét zijn, daar behoorlijk van onder de voet zijn. Dan weten ze dat ze te ver zijn gegaan. Zo was mijn vader ook: hij was meestal rustig, maar als hij zijn stem verhief, wisten we hoe laat het was.

.... »Ik merk trouwens dat ik, naarmate ik ouder word, hoe langer hoe meer op hem begin te lijken. Vooral zijn koppigheid heb ik geërfd.»

<HUMO> U ziet uw kinderen weinig. Hoe erg vindt u dat?

<Beke> «Ik vind dat uiteraard erg, maar het hoort nu eenmaal bij de job die ik heb gekozen. Ik probeer zo vaak mogelijk bij mijn gezin te zijn, ook wanneer dat bijna niet te doen is. Tijdens de voorbije regeringsonderhandelingen ben ik bijna elke nacht naar huis gereden, ook al was het twee of drie uur. Ik wilde absoluut nog even langs de slaapkamers van mijn kinderen kunnen gaan en ze een kruisje geven. In dat slopende jaar ben ik maar een paar keer in Brussel blijven slapen, als het echt niet anders kon, maar een aantal collega’s deden dat bijna elke avond.

.... »Ik heb het grote geluk dat ik, net zoals mijn vader, mijn job zie als een roeping, iets dat ik móét doen om zin aan mijn leven te geven. Tegelijk ben ik me ervan bewust dat mijn kinderen het later zullen hebben over ‘de vader die er weinig was’. Dat doet soms pijn. Ik besef dat elke week die voorbij is, voorgoed weg is, zeker als het een week is waarin ik mijn kinderen nauwelijks heb gezien. Maar daar kan ik niets aan veranderen — of ik zou met politiek moeten stoppen, maar dat wil ik niet.»

Diederik Van den Abeele